Geschiedenis

De oudst bekende vermelding van de naam 'Urk' is de schenkingsakte uit 966 van keizer Otto I aan het Sint-Pantaleonsklooster te Keulen. De tekst luidt: cuiusdam insulae medietatem in Almere, que Urch vocatur de helft van een zeker eiland in het Almere, dat Urch genoemd wordt "Schenkingsakte van keizer Otto I" Zoals voor vele geïsoleerde bevolkingsgroepen het geval was, werden er ook over de Urkers verschillende uiteenlopende karakterschetsen gegeven, variërend van gastvrij en een groot gevoel van eigenwaarde tot koppig en ongedisciplineerd, taai en vasthoudend. Deze laatste beschrijving wordt ondersteund doordat de Urkers in de afgelopen eeuwen vele rampspoeden en drastische veranderingen van leefomstandigheden de baas zijn gebleven, mede doordat het voormalige eiland opgebouwd is uit keileem. Dit keileem is een taaie weinig doorlatende grondstof, waardoor het uitermate geschikt was om het voormalige eiland Urk te beschermen tegen de grillen van de voormalige Zuiderzee.

Eigendom

In de 10e eeuw was er al sprake van een vaste bewoning wat blijkt uit de hierboven vermelde schenkingsakte. Uit deze akte is ook af te leiden dat Urk toen eigendom was van het Sint-Pantaleonsklooster te Keulen. In de 13e eeuw kwam Urk in handen van de graven van Holland en later bij de burgemeester van Enkhuizen. In 1660 kwam het eiland onder het bestuur van Amsterdam te liggen. Amsterdam verstevigde met deze aankoop haar positie in de handel, omdat Urk het centrale punt in de Zuiderzee was waar alle scheepvaart routes langs liepen. Van 1660 tot 1792 hoorden Urk en Emmeloord (het noordelijkste dorp van Schokland) bij de gemeente Amsterdam. Tot 1950 hoorde Urk bij de provincie Noord-Holland. Tot 1986 hoorde Urk bij de provincie Overijssel. Tegenwoordig hoort de gemeente bij Flevoland. Hiermee is Urk de enige gemeente in Nederland die in drie provincies heeft gelegen.

De schedelkwestie en de aansluiting op het vasteland

 

Urk werd in 1939 in het kader van de Zuiderzeewerken verbonden met een dijk voor de aanleg van de Noordoostpolder. Bij de opzet van die polder werd het dorp echter volledig buiten de planning gehouden. De Urker bevolking werd door de Nederlandse wetenschappers in de jaren voor de Tweede Wereldoorlog zelfs voor 'achterlijk' versleten, incapabel voor het werk op het land. Sommige wetenschappers dachten zelfs dat op Urk het "oer-Nederlandse ras" bewaard zou zijn gebleven. Dit leidde tot onderzoeken naar de schedelomvang van de bevolking in de jaren '30 (o.a. door de Friese arts Jan Tjittes Piebenga) en zelfs tot de roof van schedels uit Urker graven in het kader van wetenschappelijk onderzoek (onder andere in 1877 door arts Johannes Fredericus van Hengel). Een aantal daarvan zijn nog altijd in het bezit van diverse Nederlandse universiteiten en de Duitse universiteit van Göttingen. Het hele schedelonderzoek leverde echter nauwelijks wetenschappelijke resultaten op. De universiteiten weigeren echter nog altijd de schedels terug te geven, wat bewoners in 2007 heeft aangezet tot het oprichten van het Comité Urker Schedels om op die manier te proberen de schedels te herkrijgen. Met deze denkbeelden werd in de jaren '30 de nieuwe 'Urkerpolder' opgezet. Om het Urker probleem (het eiland was overbevolkt, kende veel ziekten en veel armen en de visserij werd al 'ten dode opgeschreven' gedacht) op te lossen werd zelfs het voorstel gedaan om dan maar de helft van de bevolking en de toekomstige aanwas "uit te stooten" (deporteren). Dit voorstel haalde het niet, maar het was duidelijk dat de Urkers niet werden opgenomen in de plannen: De polder werd hernoemd tot 'Noord-Oostelijke Polder' om de gedachte aan Urk zoveel mogelijk op de achtergrond te houden en hoewel het eiland dus al in 1939 verbonden was met het land kreeg het dorp pas in 1948 een wegverbinding. De bevolking van Urk werd ook niet in de bewoning betrokken, daar zij niet voldeed aan de "modelbevolking" die voor de polder moest worden aangetrokken. Zelfs de vraag van een Urker burgemeester aan ingenieur Sikke Smeding, die verantwoordelijk was voor de inrichting van de polder- of Urker studenten aan de landbouwschool in Meppel kans maakten op een boerderij in de polder, in reactie op de overbevolking van Urk, leverde slechts een enkele aanwijzing tot een boerderij op. De visserij liep grote schade op door de Zuiderzeewerken; met de komst van de Noordoostpolder verdwenen visgronden, (hetgeen zich in de beginjaren soms uitte in een vijandige houding tegen de nieuwe bewoners) en door het verlies van het IJsselmeer was de Urker vissersvloot gedwongen om zich te verplaatsen naar andere havens aan de Noordzee en Waddenzee. De bevolking van Urk verdubbelde na de Tweede Wereldoorlog. De enorme bevolkingsdruk leidde in de jaren '50 mogelijk niet tot deportaties vanwege het feit ook in andere delen van Nederland grote woningnood heerste. Om de druk wat te verlichten werd uiteindelijk besloten tot grenscorrecties met de gemeente Noordoostpolder. De woningnood is echter gebleven en veel Urkers zijn daarom (onder andere) in het aangrenzende Tollebeek en Emmeloord gaan wonen. In de jaren '60 keerde het tij toen een visafslag werd geopend op Urk en een visindustrie ontstond. Momenteel is deze een van de grootste van Nederland.